Duitse bureaus voor Jeugdzorg overhandigen kinderen aan pedofiele pleegvaders

2
600

In Berlijn is het waarschijnlijk grootste misbruikschandaal in de naoorlogse geschiedenis aan het licht gekomen. Decennialang werden zeer jonge jongens opgevangen door pedofiele mannen met een strafblad – met de kennis en de steun van medewerkers van de regering.

“Uiteindelijk werd ik in deze stad ontvoerd en overgedragen aan een kindermisbruiker”, zegt Marco B. in een interview met Welt Online. Op zesjarige leeftijd plaatste het Berlijnse bureau voor Jeugdzorg Marco B. en een andere jongen in zorg bij Fritz H., een veroordeelde pedofiel. Zeven jaar lang kon de man zich aan zijn slachtoffers vergrijpen zonder zich ernstig zorgen te maken over vervolging. Want de verantwoordelijke medewerkers van het Bureau voor Jeugdzorg wisten niet alleen van het martelaarschap waar de kinderen aan overgeleverd waren, ze hebben het ook afgedekt en verwelkomd.

Spiritus Rex voor deze monsterlijke gebeurtenissen in de Berlijnse Jeugdzorgdienst in de jaren ’80 en ’90 is de sekspedagoog Helmut Kentler, schrijft Freiewelt. Hij woonde in die tijd zelf in de stad en had met zijn zogenaamde “emancipatorische jeugdwerk” landelijk naam gemaakt. In het kader van deze “progressieve” jeugdpedagogie pleitte Kentler voor het plaatsen van jonge straatjongens bij mannen met pedoseksuele neigingen. Hij beschouwde deze vorm van “genegenheid” als bijzonder gunstig voor de ontwikkeling van jongens. In zijn ogen profiteerden ze van seks met volwassen mannen. Niet alleen dat: Kentler heeft ook de oprichting van homoseksuele paren pleeggezinnen in het toenmalige West-Berlijn opgestart – dat wil zeggen, lang voor het ongrondwettelijke huwelijk voor iedereen en adoptierechten voor paren van hetzelfde geslacht.

Want in de Berlijnse Jeugdzorg viel de belijdende homoseksuele Kentler met zijn aanbevelingen in het gehoor. Op advies van de sekspedagoog hebben de Berlijnse bureaus voor Jeugdzorg, waarschijnlijk met de goedkeuring van de West-Berlijnse overheid en met de kennis van individuele medewerkers van de regering, pleeggezinnen opgericht voor zeer jonge, mannelijke daklozen. Niet alleen dat: volgens een actueel tussentijds onderzoeksrapport van de Universiteit van Hildesheim, dat de Berlijnse Senaat met de wetenschappelijke analyse van de gebeurtenissen heeft laten uitvoeren, bestonden er in de bureaus voor Jeugdzorg van verschillende districten “faciliterende structuren”, die ondanks tegenstrijdige richtlijnen in de Kinder- en Jeugdzorg de oprichting van deze pedo-pleeggezinnen illegaal toestonden.

Deze richtlijnen voorzagen in een zorgvuldig onderzoek van de pleegouders: Ze mochten geen strafblad hebben en het pleeggeld mag ook niet hun enige bron van inkomsten zijn. Potentiële pleegouders mochten niet lijden aan een besmettelijke of “afstotende” ziekte en moesten dit zelfs bewijzen met een deskundig rapport. Bovendien voorzien de normen in de Kinder- en Jeugdzorg in regelmatige bezoeken van medewerkers van het Bureau voor Jeugdzorg aan de pleeggezinnen, minstens om de zes maanden. In het tussentijdse rapport wordt opgemerkt dat verschillende van deze richtlijnen zijn genegeerd door overheidsfunctionarissen die verantwoordelijk zijn voor het pedoschandaal. Volgens de herinnering van een van de door het Hildesheimse onderzoeksteam geïnterviewde slachtoffers had zijn pleegvader uitsluitend van het pleeggeld geleefd. Gedurende de hele tijd dat hij werd ondergebracht, kon het slachtoffer zich geen bezoek van medewerkers van het Bureau voor Jeugdzorg herinneren. Als kind was hij door zijn pleegvader geïsoleerd en afgesneden van zijn omgeving opgegroeid. Behalve de pleegvader was er geen contactpersoon voor het kind geweest. Er was niemand aan wie hij zijn martelaarschap had kunnen toevertrouwen.

Volgens de auteurs blijven schendingen van de regels en afwijkingen van normen in Jeugdwelzijn tot op de dag van vandaag voortduren in de Jeugdwerkbureaus van Berlijn. Hun praktijk, zo concludeert het Hildesheim-interimrapport, is niet transparant. De respectieve aanpak hangt sterk af van het “al dan niet handelen van individuele personen” en is daarom van buitenaf moeilijk in te zien en na te trekken. Elk districtsbureau voor Jeugdzorg gaat zijn eigen gang. Niemand weet precies of en hoeveel van Kentler’s geest nog aanwezig is in de kantoren van de autoriteit.

Pas nu, tientallen jaren na het misbruik, hebben de slachtoffers – hoeveel er precies zijn, is niet zeker – de moed gevonden om naar buiten te treden. Maar de daders zijn al dood en hun misdaden zijn volgens het Duitse strafrecht verjaard. Marco B. en de andere slachtoffers van misbruik proberen momenteel de provincie Berlijn te dwingen een schadevergoeding te betalen in het kader van een civielrechtelijke procedure. Voorwaarde voor de behandeling van de rechtszaak is dat Berlijn afstand doet van het bezwaar van de verjaring. Alleen dan is de weg vrij voor financiële compensatie voor de slachtoffers. Volgens het Welt-artikel zou Berlijn zijn steun hebben toegezegd.

Oekraïense politie rolt mensenhandelring op die baby’s verkocht aan pedofielen in China

2 REACTIES

  1. Met steun van medewerkers van de regering ? Zou ‘t misschien moeten zijn : “Met medewerking van én tevens óók ten behoeve van enkele leden van die regering” ? Zou mij niks verbazen. Hoe groter geest hoe groter beest.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here