De eurozone gaat inmiddels gebukt onder meer dan 14 biljoen euro aan staatsschulden – en het eigenlijke probleem schuilt niet eens in dit cijfer. Het gaat erom welke bedragen Frankrijk, Italië, België en in toenemende mate ook Duitsland jaar na jaar op de kapitaalmarkt moeten ophalen. Terwijl de ECB haar obligatieportefeuille langzaam afbouwt, neemt juist nu de herfinancieringsbehoefte van veel landen steeds verder toe.
Op 19 augustus wilde de Duitse federale overheid 6 miljard euro ophalen met een tienjarige staatsobligatie. Maar er waren niet eens voldoende biedingen voor het totale aangeboden volume. Er werd slechts 4,334 miljard euro geboden, waarvan 3,769 miljard daadwerkelijk aan beleggers werd toegewezen. Maar liefst 2,231 miljard euro nam de federale overheid in eigen beheer. Duitsland staat daarom niet op de rand van een staatsfaillissement – maar juist de voormalige stabiliteitsanker van de eurozone krijgt een voorproefje van een probleem dat de komende jaren nog aanzienlijk groter zal worden. Berlijn wil namelijk zijn schuldenopname massaal uitbreiden, terwijl Frankrijk, Italië, België en andere landen nu al steeds weer enorme hoeveelheden van hun schulden moeten vervangen door nieuwe obligaties, schrijft Heinz Steiner.
En de markt laat zich dit spel inmiddels weer duur betalen: het gemiddelde rendement op de tienjarige Duitse staatsobligatie bedroeg 3,26 procent.
De schuldcijfers zelf zijn al enorm. In het eerste kwartaal van 2026 hadden de 21 landen van de eurozone in totaal 14,244 biljoen euro staatsschuld – dat is 88,9 procent van hun gezamenlijke economische output. Een jaar eerder was dat nog 87,2 procent. Griekenland voert de ranglijst aan met 143,5 procent van het bbp, gevolgd door Italië met 138,9 procent, Frankrijk met 117,6 procent, België met 109,1 procent en Spanje met 101,6 procent. Wie echter alleen naar deze ranglijst kijkt, ziet het eigenlijke probleem over het hoofd. Ondanks zijn recordschuld staat Griekenland er vandaag de dag wat betreft de lopende financiering deels beter voor dan Frankrijk of België. Doorslaggevend is namelijk niet alleen hoe hoog de schuldenberg is, maar ook hoeveel daarvan voortdurend via de kapitaalmarkt moet worden herfinancierd.
Hier komt de zogenaamde brutofinancieringsbehoefte om de hoek kijken. Achter deze omslachtige term schuilt een vrij eenvoudige vraag: hoeveel geld moet een staat binnen een jaar bijeenbrengen om zijn lopende begrotingstekort te dichten en tegelijkertijd vervallende oude schulden te vervangen door nieuwe obligaties? EU-breed was recentelijk ongeveer 73 procent van deze behoefte alleen al toe te schrijven aan vervallende schulden. Het gaat dus geenszins alleen om nieuwe leningen. De enorme berg oude schulden moet voortdurend worden doorgegeven – en elke oude obligatie met een lage rente die afloopt en wordt vervangen door een obligatie met een rendement van drie, vier of vijf procent, maakt de rekening duurder. De Europese Commissie hanteert zelf een jaarlijkse bruto financieringsbehoefte van meer dan 16 procent van het bbp als waarschuwingssignaal voor verhoogde risico’s op korte termijn. België, Frankrijk, Italië en Finland zitten daar al boven voor 2026 en 2027. Een staat kan daarom jarenlang schijnbaar probleemloos met zijn schulden leven en toch langzaam in een renteval terechtkomen. Zolang oude obligaties uit de periode van nul- en lage rente aflopen, blijft een deel van de renterekening kunstmatig laag. Pas bij elke herfinanciering wordt het nieuwe renteniveau voelbaar. Wie jaarlijks slechts acht of tien procent van zijn economische output hoeft te financieren, merkt dit effect pas langzamer. Wie daarentegen elk jaar 20, 25 of op een gegeven moment bijna 30 procent van het bbp op de kapitaalmarkt moet aantrekken, krijgt de rentestijging veel sneller in de begroting te verduren. En dat is dan geld dat ontbreekt voor de lopende uitgaven.
Frankrijk wordt een Europees probleemkind
Frankrijk is momenteel bijna het schoolvoorbeeld van hoe een schuldsituatie kan verslechteren. De economie van de Grande Nation groeit in 2026 volgens de Europese Commissie in reële termen met slechts 0,8 procent, maar loopt tegelijkertijd een tekort op van 5,1 procent van het bbp. In 2027 zal het tekort bij ongewijzigd beleid zelfs stijgen tot 5,7 procent, terwijl de schuldquote dan al 120,2 procent bedraagt. Terwijl de staatsbegroting dus toch al voortdurend hoge tekorten vertoont, slaat de herfinanciering van oude schulden als gevolg van stijgende rente nieuwe gaten in de kas.
De bruto financieringsbehoefte laat zien waar deze combinatie toe kan leiden. In 2026 bedraagt deze ongeveer 21,1 procent van het Franse bbp. In 2030 is dit in het basisscenario van de Commissie al 23,3 procent en in 2036 uiteindelijk 27,8 procent. Dan zou de Franse staat jaar na jaar kapitaal moeten vrijmaken in een omvang die overeenkomt met meer dan een kwart van zijn totale economische output. Let wel: niet in de vorm van nieuwe schulden, maar als som van tekorten en vervallen oude schulden die moeten worden vervangen. Tegelijkertijd stijgt de schuldquote in hetzelfde scenario tot ongeveer 144 procent.
En de tijd van praktisch kosteloze herfinanciering is voorbij. Half augustus klom het rendement op tienjarige Franse staatsobligaties tijdelijk boven de 4,1 procent. Daarmee lag Frankrijk nauwelijks nog onder Italië. Een lening van bijvoorbeeld 10 miljard euro, die vroeger tijdens het nulrentebeleid van de ECB misschien slechts enkele tientallen miljoenen aan kosten met zich meebracht, kost de staatskas nu elk jaar meer dan 400 miljoen euro, puur aan rente. Hoe hoger de rendementen blijven, hoe sneller de gestegen kosten via de voortdurend vervallende obligaties in de Franse begroting terechtkomen.
België wordt als klein Midden-Europees land hierbij graag over het hoofd gezien, hoewel de ontwikkeling er nauwelijks geruststellender uitziet. Het land heeft al een staatsschuld van 109,1 procent en verwacht in 2026 een begrotingstekort van 5,2 procent – bij een economische groei van amper 0,7 procent. De bruto financieringsbehoefte bedraagt ongeveer 19,5 procent van het bbp en stijgt in het basisscenario tot 25,8 procent in 2036. Ook hier komt het probleem niet alleen voort uit oude schulden. België geeft al vóór de rentebetalingen aanzienlijk meer uit dan het ontvangt. Hogere financieringskosten komen dus bovenop een begroting die toch al uit de hand loopt.
Italië is een ander geval. Met 138,9 procent van het bbp is de schuldenberg nog groter, de groei met een voorspelde 0,5 procent zelfs zwakker. Rome heeft zijn lopende begroting echter beter onder controle dan Parijs of Brussel. In 2025 boekte Italië een primair overschot van 0,8 procent van het bbp. De staat ontving dus, vóór rentebetalingen, meer dan hij uitgaf. Toch bleef er onder de streep een tekort van 3,1 procent over, omdat de rente alleen al 3,9 procent van de totale economische output opslokte. Italië laat daarmee nu al zien wat er gebeurt als de oude schuldenlast op een gegeven moment, ondanks feitelijke overschotten, zelf een probleem wordt.
De Italiaanse brutofinancieringsbehoefte bedraagt in 2026 al 23,7 procent van het bbp. In 2036 zal dat naar verwachting rond de 27,1 procent liggen. Rome moet dus in feite ook permanent bedragen ter grootte van een kwart van zijn totale economische output via de kapitaalmarkt zien te financieren. Zolang beleggers de effecten blijven kopen, werkt dit model. Als de rendementen echter blijvend stijgen of het vertrouwen van de markten afneemt, zal elk extra procentpunt op een gegeven moment met miljardenbedragen op de begroting drukken. Maar geld dat aan rentebetalingen moet worden besteed, kan niet worden uitgegeven aan scholen, wegen of ziekenhuizen.
De schuldenziekte trekt naar het noorden
Dat het oude verhaal over het zuinige noorden en het verkwistende zuiden nauwelijks nog standhoudt, blijkt uit Finland. Tussen het eerste kwartaal van 2025 en het eerste kwartaal van 2026 steeg de Finse schuldquote met 5,5 procentpunten – sterker dan in welke andere EU-lidstaat dan ook. Het begrotingstekort zal in 2026 naar verwachting 4,5 procent bedragen, de groei een magere 0,8 procent. De bruto financieringsbehoefte bedraagt nu al ongeveer 19,2 procent van het bbp en stijgt in het basisscenario tot 22,7 procent in 2036. De schuldquote zou dan bijna 114 procent bereiken. Daarmee bevindt Finland zich in een gebied dat men eigenlijk bij de Zuid-Europese „crisislanden“ zou verwachten.
Ook Oostenrijk glijdt langzaam in een ongewenste richting. De schuldquote bedraagt inmiddels ongeveer 83 procent van het bbp; het tekort zal in 2026 en 2027 naar verwachting op 4,1 procent blijven steken, terwijl de economie met slechts 0,6 respectievelijk 0,9 procent groeit. Dat is althans de hoop. De jaarlijkse bruto financieringsbehoefte stijgt in het basisscenario van 15,3 procent in 2026 naar 17 procent in 2030 en 21,3 procent in 2036. Tegelijkertijd zou de schuldquote de grens van 100 procent overschrijden. Een vergrijzende bevolking, hogere zorg- en gezondheidskosten, stijgende rentetarieven en extra defensie-uitgaven komen daarbij terecht in een economie die nauwelijks nog voldoende groei genereert om deze lasten op te vangen.
En dan is er nog Duitsland. Met een schuldquote van ongeveer 64 procent is de Bondsrepubliek nog ver verwijderd van de Franse of Italiaanse situatie. Maar Berlijn heeft politiek besloten om zijn tot nu toe getoonde terughoudendheid op te geven. Nieuwe ruimte voor schulden voor defensie en infrastructuur (trefwoord „Sondervermögen“) zorgen ervoor dat de financieringsbehoefte sterk stijgt. De Europese Commissie schat deze behoefte in 2026 nog op 15,4 procent van het bbp, in 2028 al op 16,2 procent, in 2030 op 17,4 procent en uiteindelijk in 2036 op 22,6 procent. Het voormalige stabiliteitsanker wordt daarmee zelf een steeds grotere vraagnaar van kapitaal. Dat zou minder problematisch zijn als Duitsland tegelijkertijd krachtig zou groeien. Maar na twee jaren van recessie verwacht Brussel voor 2026 slechts 0,6 procent reële groei en voor 2027 0,9 procent. Tegelijkertijd stijgt het overheidstekort volgens de prognose tot respectievelijk 3,7 en 4,1 procent. Duitsland brengt dus steeds grotere hoeveelheden nieuwe schuldbewijzen op de markt, zonder dat er tot nu toe een overeenkomstige groeispurt in zicht is.
Voor de andere eurolanden is dit allesbehalve onbelangrijk. De Commerzbank verwacht in 2027 ongeveer 400 miljard euro aan Duitse obligatie-emissies, terwijl Barclays voor de hele eurozone een recordaanbod van ongeveer 1,54 biljoen euro voorspelt. Frankrijk, Italië, België en co. concurreren daardoor steeds meer met Duitsland om dezelfde beleggers. Als de Duitse staat al meer dan drie procent rendement moet bieden, kunnen de risicovollere kredietnemers nauwelijks verwachten dat beleggers hun miljarden tegen een vriendschapsprijs aan hen afstaan. De stijgende Duitse kapitaalbehoefte kan daardoor de financieringskosten van de hele eurozone nog verder opdrijven.
Uitgerekend Griekenland staat er op korte termijn beter voor
Hoe weinig de pure schuldquote zegt over het directe gevaar, blijkt uitgerekend uit Griekenland. Met 143,5 procent van het bbp is het land nog steeds de grootste schuldenaar van de eurozone. De brutofinancieringsbehoefte bedraagt in 2026 echter slechts 8,7 procent. Athene boekt begrotingsoverschotten, groeit sterker dan Duitsland, Frankrijk of Italië en bouwt zijn schuldquote af. Een groot deel van de Griekse schulden is bovendien afkomstig uit de Europese reddingsprogramma’s, heeft extreem lange looptijden en relatief lage rentetarieven. De gewogen gemiddelde looptijd van de totale schuldportefeuille bedroeg eind juni meer dan 18 jaar. Terwijl Parijs steeds grotere bedragen tegen de huidige marktrente moet herfinancieren, beschikt Griekenland nog over een aanzienlijke portefeuille met langlopende, vastgelegde financieringsvoorwaarden.
Portugal vormt een vergelijkbaar tegenvoorbeeld. De brutofinancieringsbehoefte bedraagt in 2026 slechts ongeveer 10,5 procent van het bbp en zelfs in 2036 in het basisscenario slechts ongeveer elf procent. De schuldquote daalt, de begroting is vrijwel in evenwicht en de economie groeit aanzienlijk sterker dan in de grote probleemlanden. De voormalige zorgkinderen van de eurocrisis hebben daarmee, althans op korte termijn, deels betere kaarten dan landen die destijds als hun redders optraden.
Het grote verschil met de eerste eurocrisis ligt echter niet alleen in welke landen vandaag de dag in gevaar zijn. Destijds kocht de Europese Centrale Bank jarenlang massaal staatsobligaties op en drukte daarmee de financieringskosten van de lidstaten kunstmatig omlaag. De herbelegging van vervallende effecten uit het klassieke APP werd in juli 2023 beëindigd, die uit het tijdens de coronaperiode opgezette PEPP eind 2024. Sindsdien krimpen deze posities bij elke vervaldatum. Juist op het moment dat de staten recordhoeveelheden nieuwe schulden op de markt willen brengen, trekt de grote institutionele koper van de afgelopen jaren zich terug.
Daarmee stevent Europa met open ogen af op een steeds krappere bottleneck. Frankrijk, Italië en België moeten nu al elk jaar bedragen van ongeveer een vijfde tot bijna een kwart van hun bbp financieren of herfinancieren. Ook Duitsland, Oostenrijk en Finland zien hun kapitaalbehoefte sterk toenemen. Tegelijkertijd eisen beleggers hogere rendementen, terwijl de ECB haar eerdere aankoopprogramma’s laat aflopen. Zolang de markten bereid zijn deze biljoenen door te geven, kan dit nog lang goedgaan. Alleen dringt elk extra procentpunt aan rente met elke nieuwe obligatie dieper door in de overheidsbegrotingen. Op een gegeven moment blijven er dan slechts drie mogelijkheden over: bezuinigen, belastingen verhogen of de centrale bank weer sterker inzetten als koper en reddingsboei. Frankrijk laat nu al zien hoe politiek moeilijk de eerste twee opties zijn.
De volgende eurocrisis hoeft daarom niet te beginnen met een spectaculair staatsfaillissement. Waarschijnlijker is een sluipend proces: steeds meer schulden, steeds grotere herfinancieringsblokken, steeds hogere rentekosten – totdat een grote staat op een gegeven moment moet vaststellen dat de markt zijn effecten weliswaar nog koopt, maar alleen nog tegen een prijs die zijn begroting niet meer aankan. En in tegenstelling tot Griekenland zouden Frankrijk of Italië simpelweg te groot zijn om met een paar nieuwe reddingspakketten te worden afgehandeld.
Vind je het belangrijk dat er nog onafhankelijke berichtgeving bestaat die niet wordt gestuurd door grote belangen? Met jouw steun kunnen we blijven schrijven en onderzoeken. Klik hieronder en draag bij aan het voortbestaan van Frontnieuws.

Copyright © 2026 vertaling door Frontnieuws. Toestemming tot gehele of gedeeltelijke herdruk wordt graag verleend, mits volledige creditering en een directe link worden gegeven.
Olietekort, onvoldoende capaciteit – diesel raakt langzaam op
Volg Frontnieuws op 𝕏 Volg Frontnieuws op Telegram














Vooropgesteld: ze moeten niks maar ze doen het, lenen lenen en lenen om de dure hobbies te financieren zoals de Greendeal van Timmermans, de asielindustrie, het omturnen van Nederland naar SMART met het verder uitrollen van de digitale samenleving.
En achteraf wordt het volk met de tekorten geconfronteerd, met begrotingstekorten wel te verstaan ofwel de schulden. Dat laatste klinkt zo vervelend, de staat houdt het liever op een tekort want die kun je aanvullen, nietwaar?